Een Arnhemse huurder die de coniferenhaag van zijn buren rigoureus kortwiekte, wordt veroordeeld tot het betalen van de daardoor ontstane schade. Zijn eis in reconventie, dat de coniferen te dicht op de erfgrens staan en moeten worden verwijderd, wordt afgewezen.
Tijdens de vakantie van zijn buren pakt een huurder in Arnhem de zaag en reduceert hun coniferenhaag aan zijn kant van tien tot circa drie meter hoog. Daarna plaatst de huurder een twee meter hoge schutting naast de erfgrens in zijn eigen tuin. De buren beklagen zich bij de corporatie, maar die antwoordt dat ze niet kan bemiddelen. Daarom starten ze een procedure tegen de buurman en vorderen ze betaling van een schadevergoeding van 3.586 euro, de kosten van het verwijderen van de oude en het plaatsen van nieuwe coniferen -, almede veroordeling in de kosten van het geding. De buurman stelt dat de eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vordering. Niet zij, maar de corporatie is eigenaar van de beplanting. De haag heeft volgens een door hem ingeschakelde hovenier geen schade ondervonden door het ‘innemen’ van de takken tot aan de stam. De coniferen ogen vitaal en groeien dus nog. En er zou toestemming zijn verleend om de takken te verwijderen. In reconventie vordert hij verwijdering van de haag. Die staat op zo’n 60 á 70 centimeter van de erfgrens.
Troosteloze aanblik
De rechter wijst op vaste rechtspraak dat sommige bepalingen van het burenrecht voor eigenaren van overeenkomstige toepassing zijn op huurders. Daarbij moeten ook de belangen van de eigenaar worden betrokken. De corporatie heeft laten weten geen bezwaar te hebben tegen de over en weer ingestelde vorderingen. De rechter stelt vast dat de eisers in hun vermogenspositie zijn aangetast en dat hen een schadevergoeding toekomt op grond van onrechtmatig handelen van hun buurman. Dat zou anders zijn als de buurman, zoals hij stelt, toestemming had om de takken te verwijderen. Na het horen van getuigen is echter niet aannemelijk dat daarvan sprake was. De coniferenhaag biedt een enigszins troosteloze aanblik en er is een ‘doorkijk’ ontstaan vanuit de flatwoningen in de omgeving. Ook dat eisers op hoge poten aangifte van vernieling hebben gedaan lijkt niet verenigbaar met eerder gegeven toestemming tot het afsnijden van takken. Daarbij komt dat de verhouding tussen beide buren van meet af aan slecht is. Gedaagde moet de schade vergoeden die door zijn onrechtmatig handelen is ontstaan. De eis in reconventie wordt afgewezen. Volgens de Algemene Plaatselijke Verordening is het een eigenaar toegestaan om bomen op een minimumafstand van 50 centimeter van de erfgrens te hebben. (PvdV)
Rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, 25 juni 2007, 481811 Cv Expl. 07-1382, LJN BA8311